Jouw regio: ,
Wijzig regio
Jouw regio: nog niet opgegeven
Wijzig regio
  • ‘Onconventioneel ouderschap’

    Tegenwoordig kunnen mensen met hulp van nieuwe vruchtbaarheidstechnieken, kinderen krijgen waar dit vroeger niet mogelijk was: lesbische paren en homostellen, bewust alleenstaande moeders, vrouwen die jong in de overgang zijn en met een donoreicel van een zus of iemand anders zwanger worden, of zelfs moeders die een eicel aan hun onvruchtbare kind donoren. Met vragen voor behandeling en begeleiding bij ‘onconventioneel ouderschap’ krijgt het Centrum voor Voortplantingsgeneeskunde (CVV) in het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam dagelijks te maken.

    Gynaecoloog dr. Monique Mochtar: ‘Wij behandelen patiënten met al deze vormen van ouderschap, en vinden goede voorlichting daarbij heel belangrijk. Als een vrouw bijvoorbeeld niet zwanger kan worden omdat ze geen eicellen meer heeft, bespreken we in een multidisciplinair team, met collega artsen en ook een psycholoog en een maatschappelijk werker, of we aan een verzoek kunnen meewerken. We willen er zeker van zijn dat mensen goed weten waar ze aan beginnen en zetten onze expertise daarvoor in. Bij een homostel met een kinderwens, dat een beroep doet op een draagmoeder én een eicel­donatrice heb je met drie verschillende partijen te maken. De draagmoeder is in principe de moeder die haar kind moet afstaan ter adoptie aan de mannen. Daar komen naast medische ook juridische en psychologische aspecten bij kijken. We proberen daar steeds voor iedereen een goede weg in te vinden.’

    Kinderwens
    Marja Visser is counselor bij het CVV van het AMC. ‘Het kan voor iemand heel confronterend zijn, vooral bij familie en vrienden, als iedereen om je heen kinderen heeft en jij niet, terwijl je zelf geen partner hebt of geen kinderen kan krijgen, maar wel een sterke kinderwens hebt. Dan denken ze na over welke mogelijkheden er voor hen zijn om toch een kindje te krijgen. Voor sommigen is dat een spermadonor, maar als een vrouw geen goede eicellen meer heeft, kan eiceldonatie uitkomst bieden. Vroeger moest je zelf zorgen voor een eiceldonatrice, en anders moest je naar het buitenland wat ook veel kosten met zich meebrengt. Inmiddels zijn er in Nederland ook ‘eicelbanken’, waar steeds vaker een beroep op gedaan wordt. Het is fantastisch dat het kan, maar het heeft natuurlijk ook aspecten waar je goed over na moet denken. Zo zijn donoren niet anoniem in Nederland, en vraagt het van ouders dat ze met een kind over hun afkomst praten. Daarnaast is het mogelijk dat het kind later contact wil hebben met de donor. Het is nooit zo dat de donor verantwoordelijk wordt voor de opvoeding van het kind – het heeft immers eigen ouders – maar het kind heeft vanaf z’n 16e wel recht op in elk geval een contactmoment.’

    Omgaan met vragen

    ‘Ik begeleid de wensouders, en daarbij komen drie vragen altijd naar voren: ‘hoe vertel ik het mijn kind?’, ‘hoe praat ik over de donor?’ en ‘hoe gaat later het contact met de donor zijn?’. Als je het vertelt, is het het beste om het kind al zo vroeg mogelijk te zeggen hoe het in elkaar zit.

    Dan hoeft het kind er later geen last van te krijgen.

    Als je eerlijk bent vinden kinderen het helemaal niet gek. Maar zeg je het pas als het kind al wat ouder is,

    dan kunnen ze zich afvragen: ‘Waarom wist ik dit niet eerder? Je bent toch eerlijk tegen je kind en is er nog meer dat ik niet weet?’. Ouders zijn soms bang voor de reacties van de omgeving. We proberen ze zo goed mogelijk te helpen om ook daarmee om te gaan.’

    Leave a reply →

Reageer op dit artikel

Cancel reply